Zaterdag 25 maart 2000
Onze tweede grote vakantie tijdens ons Australië-verblijf gaat deze keer naar Tasmanië. De vlucht van Sydney naar Launceston duurt nog geen twee uur. Vanuit het raampje zie je onder je eerst een paar kleine eilandjes voor het vliegtuig landt. Ons trekt Tasmanië vanwege zijn vele oude bossen, ongerepte natuur, de bergen, het zuivere water en vooral de zuivere lucht. Tasmanië heeft een unieke flora en fauna. Bepaalde vogels en dieren zoals de Tasmanian Devil en de green parrots met de roze borstjes komen alleen op dit eiland voor. De Tasmaanse tijger is al uitgeroeid, alhoewel de bewoners beweren dat er nog één is gesignaleerd pas geleden. We kennen uit de geschiedenisboeken dat Abel Tasman op zijn reis naar het Verre Indië het Van Diemen eiland zoals dit oorspronkelijk door hem werd genoemd, ontdekte (1642). Het eiland was lange tijd verlaten, totdat de Engelsen rond 1805 hier hun gevangenen dropten en daarbij de oerbevolking uitroeiden. Bij aankomst vinden we het eiland onmiddellijk sympathiek. De lucht is niet zo vochtig als in Sydney en heerllijk fris, ondanks de 21 graden. We slapen in Waratah on York, een statig Victoriaans huis met 9 hotelkamers. Het is er heel knus. De eigenaar heeft het pand (1890) mooi gerestaureerd. Je vraagt je af hoe hij van dit hotel kan leven, maar hij ziet er tevreden en trendy gekleed uit met zijn 4 kinderen die hij moet onderhouden. Hier in Tasmanië lopen we minstens 2 jaar achter, zegt hij, maar wat deert het, vooral niet haasten is het motto van de Tasmaniërs. Vanaf het hotel kijken we op de stad neer dat wordt gekenmerkt door de Tamar-rivier die door de stad stroomt. We wandelen die middag nog de Cataract Gorge, een indrukwekkende kloof met hoge steile granietrotswanden. De kloof mondt uit in een groot natuurlijk waterbasin.


Tamar river Launceston

Zondag 26 maart 2000
De camper kunnen we pas vanmiddag ophalen, dus maken we een stadswandeling. Eerst door het Citypark, dat 1 straat verder al begint. Hier is ook een apenrots gebouwd waar enkele families Macquai apen uit Japen wonen. We kunnen er wel uren naar kijken. In het prachtige in Engelse stijl aangelegde park is ook een binnentuin, een prieeltje met de buste van Queen Emma, de Albert Hall en een grote kinderspeeltuin. De straten lopen evenwijdig aan elkaar in een bepaald patroon, net als in steden als B arcelona en New York. Maar Launceston is meer een groot dorp dan een echte stad. Op de zondagsmarkt kopen we de honing uit Mole Creek, die we zo lekker vinden. Om 15.00 halen we de camper van Hertz op. Het is een Japans busje met een fexibel dak dat je omhoog kunt drukken, zodat je er in kunt staan als je campeert. Het is een oude ros, heeft al 200.000 km gereden. We zijn benieuwd of hij het haalt. Toch is er een compleet servies, een gootsteen, een gasstel, ijskast, tv en een tweepersoonsbed. We mogen beslist niet op onverharde wegen rijden, want als er dan schade ontstaat, dekt de verzekering dit niet. We zullen wel zien. Na 5 km komen we al op een gravel road, een onverharde weg dus, terecht. We kunnen niet veel anders, want de andere weg hadden we gemist, we moeten wel doorrijden. Je wordt helemaal door elkaar geschud en de potten en pannen rammelen achterin. We zien wel onze eerste kangaroe in het wild. Spannend. We komen uiteindelijk weer op een geteerde weg, nemen de Elephanat Pass door een donker woud en zien op de top van de pas beneden de oceaan liggen. Onze eerste bestemming is 3 uur verderop aan de Oost-kust, het plaatsje st.Helen. We rijden eerst de zuidpunt van de baai op. De St. Helens Point met mooie zandduinen. De camping staat op een heuvel, vanwaar we op de Georges Bay waaraan St. helen ligt kunnen kijken. Het is al donker (18.00 uur), dus zien we weinig. Eten doen we in het dorp, dat maar uit 1 hoofdstraat met een paar zijstraatjes bestaat. We slapen niet erg gemakkelijk, we denken alsmaar aan die luxe ruime camper die we 4 jaar geleden in Canada huurden. Wat zijn we toch verwend.

Maandag 27 maart 2000
We zakken de oostkust af naar Bicheno. De kust is rotsachtig en paarsachtig tot roze van kleur. De oostkust heeft een gematigd zacht klimaat. Het landschap bestaat uit verdorde grasvelden afgewisseld door stukken oerbos. Het heeft de afgelopen 5 jaar erg weinig geregend, wat zorgwekkend is voor de veeteelt en de zuivelindustrie. Een reden om in Bicheno te stoppen zijn de fairy pinguins, want in menige reisgids wordt dit aangeraden. Bicheno is een vissersplaats en een goede plek om te duiken. Het water is glashelder. Helaas krijgen we geen pinguins te zien. Ze zitten normaal op of voor het Diamond Island dat voor de kust ligt. Maar dan moet je wel tussen september en december komen als de vrouwtjes broeden. We bezoeken het birdlife and wildlifepark. Het park is uitgestrekt en ligt pal aan de kust. Voor de kust is een binnenmeer waar de zwarte zwanen, eenden en ganzen zwemmen. Het is erg rustig, we zijn op 2 anderen na de enige bezoekers. Je hebt niet het gevoel dat je in een georganiseerde dierentuin loopt. We wandelen over de zandpaden en worden al snel door een brutale emu ingehaald, die denkt dat we hem wat te eten geven. Gelukkig gaven we niets zodat hij ons toch maar met rust liet. De twee andere bezoekers, zo vertelden ze ons later, werden door hem opgejaagd en bijna aangevallen, want zij hadden wel een zakje met voer gekocht. Onderweg schrikken we op van de loslopende kangoeroes. Maar het zijn onschuldige lieve dieren, het is even wennen dat ze zo aanhankelijk zijn. Struisvogels en een nest met 6 eieren komen we ook nog tegen. Wat zijn die eieren groot, dat doet toch zeer!! De Tasmaanse duivels zitten braaf in hun omheinde tuintje. Ze leven hier op het eiland nog in het wild, ik wil ze niet tegenkomen, een scherpe tanden dat ze hebben!! Ze zijn wel apart om te zien en hebben een mooie pikzwarte vacht. Vandaag willen we nog wel een wandeling maken; is goed voor het luie vlees. In de verte zien we de Hazards, dit is een keten van 3 paarsgekleurde granietrotsen op het schiereiland Freycinet. We nemen eerst een onverharde weg naar de baai Coles Bay om de Hazards goed in het vizier te krijgen. Dan rijden we het national park binnen, je betaalt aan het begin een entrée en kunt nog 4 km met je auto doorrijden, waarna we de wandeling starten. We wandelen anderhalf uur heen- en terug richting Hazard
beach. Net voor donker komen we in Swansea aan. We staan direct op de kust en hebben vanuit onze camper een mooi uitzicht op de Great Oyster Bay. In het donker lopen we over het strand en een paar rotsen om de kortste weg naar het restaurant in het dorp te bereiken. Het dorpje ziet er uiterst vriendelijk uit met veel goed onderhouden oude panden uit rond 1850. In de Oyster Bay Guest House genieten we van een lekker Italiaanse pastamaaltijd en drinken we (Paula) Tasmaanse witte wijn. De rode wijn smaakt hier niet, te weinig zon.

Dinsdag 28 maart 2000
Het is zo rustig op de wegen, we reizen in het naseizoen. De wegen zijn over het algemeen goed maar smal. Ik dacht een paar keer terug aan ons busritje van 7 jaar geleden op het eiland Sumatra, toen de chauffeur die nauwelijks met zijn voeten bij de pedalen kon, in de linkerberm terechtkwam en ik dacht dat we er geweest waren. Maar mijn schril gegil bracht de chauffeur zo erg aan het schrikken, dat hij automatisch het stuur in de goede richting trok. Zulke momenten komen dan weer bij je op als je zo aan de linker kant van de weg rijdt. We zien links het Maria Island liggen, we kunnen helaas niet overal naar toe gaan in deze 8 dagen. We stoppen in Triabunna, vanwaar de ferry naar het eiland vaart. We zitten daar een poosje in de zon en genieten van de rust en het mooie uitzicht op zee en de hier groene kust. We vervolgen de Tasmanian Highway die zich door de graslanden de beboste heuvels slingert Het lijkt hier heel erg op het Griekse eiland Kreta. Vooral door de kleine witte strandjes die je onderweg tegenkomt. We nemen toch maar weer een onverharde weg van 30 km om sneller op het Tasman schiereiland te komen. Over de brug die op het eerste schiereilandgedeelte komt, zetten we de camper neer op een klein schelpenstrand. Onze lunch bestaat uit gebakken eieren met ham, dit is weer het leuke van een camper dat je alles bij de hand hebt. Het eerste plaatsje is Eaglehawk Neck, dit is het smalste gedeelte dat de beide delen van het schiereiland verbindt. We bezoeken een blowhole, een door de oceaangolven uitgeslepen rots en voelen het geweld van de golfslag. Iets verder bezoeken we de Devils Kitchen, een soort rotskamer met hoge rotsklippen waar het water uit zee binnenspoelt en de Tasmanian Arch, een rotsboog dat door het zeewater is uitgeslepen. Onze bestemming is Port Arthur. De camping ligt in een bos bovenop de kust. We bezoeken Port Arthur bij zonsondergang en eten er ook maar, want er is weinig te beleven hier aan deze kant. We dachten dat dit een gezellig vestigingstadje was, waar we konden boemelen en oesters konden eten. Maar niets van dit alles. Port Arthur is een nederzetting voor een grote gevangenis voor zwaargestraften. We bezoeken de gedeeltelijk gerestaureerde gevangenis en de bijgebouwen (1830). De ligging is prachtig op een hoge heuvel met uitzicht rondom. Deze plek is voor de Australiërs een naargeestige plek. In 1996 werden hier in het café 35 mensen doodgeschoten door een psychisch gestoorde man.

Woensdag 29 maart 2000
We maken het rondje over het schiereiland af en bezoeken de 'remarkable cave', een langgerekte blowhole, net een tunnel, dat ook hier is ontstaan door het geweld van de golven. Een Tasmaanse echtpaar vertelt ons dat je een paar jaar geleden nog door de tunnel kon lopen, maar dat het nu te gevaarlijk is door de hoge golven die je mee terug de oceaan insleuren. Het echtpaar is trots op hun twee Japanse meisjes die hier een korte cursus Engels hadden gevolgd in Hobart en die bij hen hadden gelogeerd. Het echtpaar vertelt ons net als vele anderen hier op het eiland, dat Tasmanië het beste en gezondste plekje op aarde is. We geloven dit wel. Je hebt hier alle rust, een goede lucht, goed te eten, je kunt hier comfortabele huizen kopen voor een derde van wat ze in Sydney voor de huizen vragen. Natuurlijk mis je dan wel de Europese cultuur, net als in Australië. Deze mensen zijn gepensioneerd (ze zien er nog jong uit, ik schat ze niet ouder dan 55) en zijn 6 maanden per jaar door Australië aan het trekken met hun 4WD en een camper. Te gek wel. We rijden langs de White Beaches en verlaten Tasman Peninsula richting Hobart, de hoofdstad. We hebben geen tijd om de stad te bezoeken, we slaan boodschappen in, we nemen een dikke hamburger bij Mac Donalds, en kunnen nog op de brug door Hobart een beetje van de stad zien. Onze tocht gaat vandaag door de bergen, door het Mount Field National Park. De bergen en meren zijn hier na de ijstijd ontstaan, toen de ijsgletsjers de dalen uitslepen. Hier staan hele hoge eucalyptysbomen met de naam swamp gum, de grootste soort eucalyptusboom. De auto kruipt omhoog het centraal plateau op. We kunnen maar een gemiddelde van 40 km per uur rijden. Dus we zitten uren in de auto. Je voelt de koude in de bergen, hoe hoger je komt, hoe kouder het wordt. De luttele gehuchten onderweg tellen soms maar een paar huizen. In het gehele gebied van het Centrale Plateau, het hele middengedeelte van het eiland wonen maar 800 mensen. Gelukkig hebben we genoeg te eten en te drinken bij ons, want er is geen supermarkt in de wijde omgeving te bekennen. We stoppen bij de grote waterkrachtcentrale van Tarraleah. Hier begint het gebied van de grote meren die zorgen voor de elektriciteitswinning. Tegen de avond komen we in de Bronte Highland Village aan. We vinden het te koud om in de auto te slapen en huren een houten huis met een houtkachel voor 2 nachten. De omgeving is zo mooi, de bossen zijn zo vriendelijk en we horen het geruis van de wilde dieren. Bronte heeft ondanks de eenvoudige maar nette huisjes een goede restaurantvoorziening, Maar we blijven in ons huisje bij de open haard en zijn tevreden met onze kaasjes en wijn. 's Nachts horen we allerlei gestommel van dieren. De volgende dag horen en zien we dat de paarden hier loslopen en dat de possums (lijken op eekhoorntjes maar dan wel groter) over de daken en langs de ramen lopen op zoek naar voedsel.

Donderdag 30 maart 2000
We hoeven vandaag niet vroeg de camping af en een lange autorit is ook niet nodig. Naar Lake St. Clair is het maar een half uur rijden. Dit meer ligt op ongeveer 1000 m hoogte midden in het Centraal Plateau en maakt deel uit van the World Heritage Area, het natuurefgoed dat door de Unesco als natuurmonument is bepaald. Er liggen nog meer meren, maar dit is wel de belangrijkste en is een toeristische trekpleister. Je kunt met een bootje over het meer varen en wandelingen maken rond het meer of vanaf het meer naar andere kleinere meren. Wij wandelen vanuit de Cynthia Bay naar de Shadow Lake, een wandeling van 4 uur heen en terug. De heenweg is erg steil naar boven, we merken het in de benen en aan de snelle hartslag. Maar gelukkig voel je je daarna altijd lekker fit. En we stonden weer oog in oog met een wallabie. Terug op de parkeerplaats staat er een andere wallabie voor de auto, die bijna uit je hand eet. We genieten nog een avondje van het Bronte Park en gaan laat naar bed want Glenn is 24.00 uur jarig en de traditie van elkaar 's nachts feliciteren mag niet worden gebroken.

Vrijdag 31 maart 2000
Onze volgende bestemming is Deloraine. De kortste weg is langs de Great Lake, het grootste meer van het merengebied via een onverharde weg. De auto is eigenlijk niet geschikt voor deze hobbelige rotsachtige weg, maar we rijden voorzichting. De afstand van 60 km onverharde weg leggen we in 2 uren af. Het regent vandaag veel, dus we hebben slecht zicht op het meer. We rijden soms zelfs in de wolken. We rijden het Centraal Plateau uit en komen in het dal van de Meander rivier, waar het stadje Deloraine ligt. Al in 1830 hadden de Engelsen hier een nederzetting. Gebouwen uit die tijd en kort daarna zijn hiervan getuige.We genieten van een heerllijk verjaarsdineetje en drinken de lekkerste wijn tot nu toe: Jacobs Creek Cabernet Shiraz, 1998 uit de Barossa Valley in South Australia.

Zaterdag 1 april 2000
Deloraine is altijd al een pleisterplaats geweest voor reizigers. Zelfs nu komen uit de wijde omgeving mensen hun boodschappen doen. Er zijn hier veel winkels en de beste bakkerij Golden Grain is hier gevestigd. We ontbijten een lekkere vette croissant met room en cranberry in de lokale koffietent. Dit is onze laatste dag met de camper. We rijden via de Tamar vallei waar de wijngaarden aan liggen, naar Launceston. Onderweg stoppen we aan de Brady's Lookout een klein hooggelegen parkje vanwaar je een ver zicht hebt over de Tamar rivier. Via een kleine weg langs de rivier komen we bij de St. Matthias Wijngaard waar we de lokale wijn proeven. De rode wijn smaakt nergens naar. De witte wijn is van de Riesling druif, dus te vergellijken met Duitse droge wijnen. De rit met de campervan zit er op. We brengen hem heel terug, hadden wel van te voren de modder van de auto gespoeld, anders zouden ze ons achteraf nog verwijten dat we op onverharde wegen hadden gereden. We overnachten weer in ons knusse hotel Waratah, maar nu in een kamer met uitzicht over de stad. Die avond eten we in de Ierse pub. Het toetje was gratis omdat mijn lasagne was aangebrand.

Zondag 2 april 2000
Na het ontbijt laat de eigenaar zijn mooiste kamer zien, kamer nr. 5. Er staat een groot hemelbed in en er is een aparte ruimte met grote ramen die uitkijken op de stad en waarin het grote tweepersoonsbubblebad staat. Iets voor een volgende keer? We wandelen nog een keer door de kloof en het stadspark, snoepen van de Tasmaanse chocolade taarten en vliegen in de namiddag naar Sydney. Als we uit het vliegtuig stappen voelen we de warme deken om ons benen. Het is warm 27 graden en erg vochtig. Jammer dat deze vakantie voorbij is. Tasmanië heeft nog veel meer moois en spannende landschappen. We zullen zeker terugkomen.