|
Dinsdag
30 mei 2000
Glenn
is al in Melbourne en ik (Paula) rijd er vandaag ook naar toe. Ik staat
vroeg op want de trein naar Melbourne vertrekt om tien over half acht.
Eigenlijk zou ik pas later in de week naar Melbourne gaan, had al een
vliegticket gekocht maar omdat het een goedkoop ticket is, kon ik de datum
niet veranderen. Jammer, maar ik wil graag weg. Ik wil even een paar weken
niet werken om weer van het land te kunnen genieten en nu doet zich de
gelegenheid voor dat Glenn in en om Melbourne enkele Internet-access implementaties
moet begeleiden. Er rijdt een speciale express trein, de zogenaamde Countrylink
in 11 uur van Sydney naar Melbourne. Zo zie ik veel van het landschap.
De route is Sydney, Wagga Wagga, Albury, waar we de deelstaat Victoria
binnenrijden en tenslotte Melbourne. De trein is redelijk comfortabel,
de stoelen komen van dezelfde fabrikant als die van de Franse TGV, verstelbaar
naar alle kanten, vanuit je stoel heb je een panoramisch uitzicht. Het
eerste deel van de rit is niet zo interessant, je rijdt door de vele voorstadjes
die in het vlakke land liggen. Af en toe zie je een stukje van de Hume
Highway, de belangrijkste autoweg tussen Sydney en Melbourne. We rijden
door de Southern Highlands, de Riverina en steken uiteindelijk de Murray
rivier over. Goulburn is een grote provinciale stad, bekend om haar wolindustrie.
Er zijn onderweg erg veel schapenweides te zien. De Riverina is een vrij
drassig gebied waar rijst en citrusvruchten worden geproduceerd. De hoofstad
van dit gebied is Wagga Wagga, de grootste in de binnenlanden gelegen
stad van Australië. Het landschap is de hele weg vrij vlak en groen, af
en toe een enkele met eucalyptusbomen begroeide heuvel. In dit gebied
werd rond 1860 nog goud gevonden, veel goudzoekers zijn in die tijd hierheen
gekomen, maar het leverde uteindleijk niet veel op. Hoe dichter je bij
Melbourne komt hoe heuvelachtiger het wordt. Je ziet ook af en toe wijnaanbouw,
wijnen uit de streek rond Melbourne zijn wel bekend maar niet erg populair.
De bekende wijnen komen uit de Barossa Valley bij Adelaide en de Hunter
Valley ten noorden van Sydney. Het plaatsje Wagga Wagga telt 55000 inwoners,
de naam komt uit de taal van de Aboriginals . Wagga betekent 'kraai'.
Het stadje ligt aan de Murrumbidgee rivier met zijn zandstranden en iets
ten zuiden is er een kunstmatig meer aangelegd, het Lake Albert voor de
waterrecreatie. De stad heeft wel een eigen universiteit en is volledig
self-supporting. De trein vervolgt zijn weg door de valleien en in de
verte zie je de toppen van de Victorian Alps. Bovenop de Victoriaanse
Alpen ligt nu sneeuw. Het is de afgelopen dagen gaan sneeuwen en het begin
van het skiseizoen hebben ze naar het komende weekend vervroegd al in
plaats van volgende week. In Australië zijn er maar een paar plekken waar
je kunt skiën, hier dus op de Mount Buller, in de Snowy Mountains bij
Canberra en anders in Nieuw-Zeeland. Het is nu best koud, 10 graden, ik
ben er niet op voorbereid en heb van de week 2 dikke truien moeten kopen,
die ik over elkaar draag. Naast mij in de trein klets ik onderweg met
een jongen van een jaar of 21 die politieke studies wil gaan doen. We
hebben het over de vredesmars van gisteren over de Harbour Bridge. De
mars voor de verzoening van de blanke Australiërs met de van de Aboriginals
afstammende Australiërs. Hij schaamt zich dat hij niet met de mars is
meegegaan en hij schaamt zich voor premier Howard die weigerde mee te
lopen wegens onopgeloste raciale zaken uit het verleden. Er is mij nu
veel duidelijk geworden over hoe de Engelsen met de oorspronkelijke bewoners
zijn omgegaan. Het is net als de Holocaust geweest. We praten over de
Engelsen die dit land hebben overgenomen en hoe Engels Australië eigenlijk
is. We praten over Europa, over hoe verschillende culturen in een samenleving
naast elkaar kunnen bestaan, of niet kunnen bestaan. Het doet goed om
jonge mensen tegen te komen die besef hebben van wat er om hen heen gebeurt.
We komen in de stromende regen aan op het Spencer Station. Glenn haalt
me op. We overnachten een paar dagen in het Stamford Plaza hotel, dat
door de zaak wordt betaald. We eten samen in een klein knus Frans restaurant
aan de Bourke Street en beseffen onze situatie. We hebben het heel goed
hier in Australië, we kunnen alles zien wat we willen, we kunnen royaal
leven, maar toch worden we geplaagd door gevoelens van groot verlangen
naar huis en naar Europa. We drinken samen met Glenn's collega's champagne
in de Collins Tower, 35 hoog (Sofitel-hotel) en genieten van de stadslichtjes
van Melbourne. Het toilet van le Restaurant, zo heet het hier, is bekend
als de 'loo with the view".
Woensdag
31 mei 2000
Het ontbijt wordt in de suite geserveerd, we laten ons echt verwennen.
Glenn moet werken en ik sta om 10.00 uur buiten om de stad te gaan bekijken.
Melbourne is heel anders dan Sydney. Het doet heel Londons aan door de
grote gebouwen uit het einde van de 19e eeuw, zoals de Town Hall, het
grote Parlementsgebouw, de grote parken met de Victoriaanse standbeelden,
het grote spoorwegstation Flinders Station in rijk versierde Victoriaanse
bouwstijl. De mooie oude bruggen over de Yarra rivier doet ook aan Parijs
denken. Melbourne telt 3 miljoen inwoners. Sydney en Melbourne zijn rivaliserende
steden, of het nu om sport gaat of om zakendoen, ze zijn daar erg kinderachtig
in. Beide steden zijn volgens mij even machtig, rijk, mooi, ieder op zijn
eigen manier. Erg opvallend zijn hier in Melbourne de hele oude trams
die af en aan rijden. Het zijn houten trams die zeker al 100 jaar op de
weg zijn. Toevallig hadden ze het er in de krant over om de trams van
de straat te halen omdat de remmen van de trams niet meer goed functioneren
en er regelmatig ongelukken gebeuren. Eén van de oude tramlijnen is de
city circle lijn, die als een ring om het centrum rijdt. De rit is gratis
en een reisleider op de tram vertelt onderweg in geuren en kleuren de
gechiedenis van de gebouwen waar we langsrijden. Het Windsor Hotel bijvoorbeeld,
een groot in koloniale stijl gebouwd hotel met portiers voor de ingang
die zijn gekleed in lange rode met goud afgezette jassen en hoge hoeden
op. Als je lang wacht komt de koets misschien nog voorrijden om je door
de deftige straten van Melbourne te rijden. Het is erg koud en het regent
nota bene ook nog. Mijn wandeling door het Kings Domain het grootste stadspark
is erg triest. Je moet je de zomer voorstellen met de openlucht klassieke
concerten, net als in Sydney in the Domain waar we afgelopen zomer op
ons pickncikkleed 's avonds naar live operamuziek luisterden. Naast de
vele standbeelden in dit park is de Shrine of Rembrance een belangrijk
gedenkteken voor de soldaten die in de Eerste en Tweede Wereldoorlog voor
de vrede hebben gestreden. Het monument is een kolossaal bouwwerk en heeft
iets weg van een Romeinse tempel of een pyramide uit Mexico. Binnen in
de tempel is een lijst van namen van gevallenen. Buiten houden militairen
permanent de wacht en is er ook een eeuwigdurende vlam. Ik ga altijd even
kijken uit piëteit voor de geallieerde soldaten waarmee papa in het kamp
aan de River Kwai in Thailand heeft gevangengezeten en van wie misschien
hier namen zijn opgeschreven. Ik loop een rondje door de stad, die mij
heel erg aan London en Parijs doet denken, ik blijf er maar aan denken.
Waarschijnlijk door de rivier die door de stad stroomt en de grote gebouwen
van waarschijnlijk dezelfde architecten en door de oude bruggen over de
Yarra rivier. Ik loop nog even de St. Paul's Cathedral (net als in London)
binnen, die dateert van 1880 en is ontworpen door Butterfield, een Engelse
architect, die nog nooit zelf in Australië is geweest. Via de Bourke Street
Mall en Collins Street, beide winkelstraten met deftige winkels en modehuizen
maak ik het rondje door het centrum af. 's Avonds spreken we met Glenn's
collega's af om in het Sheraton hotel aan de rivier Moreton Bay bugs te
eten. Moreton Bay bug is een schaaldier dat alleen in Australië voorkomt
en in de buurt van Brisbane wordt gevangen. Het vlees heeft iets weg van
kreeft of lobster en is een ware delicatesse. Ik ben een liefhebber van
alle vis en schaaldieren dus voor mij is het smullen. Ik realiseer me
weer, dat we decadent en snobistisch bezig zijn, maar we zijn (nog) niet
verpest.
Donderdag
1 juni 2000
De Queen Victoria Market bestaat al sinds 1870 op deze plek. Als ik er
aan kom wandelen, vind ik het al meteen een gezellige boel. Buiten voor
het historische marktgebouw zitten de mensen koffie te drinken en hun
sandwiches te eten. Gitaarspelers en didgeridooblazers (didgeridoo is
het typische houten blaasinstrument van de Aboriginals) zorgen voor een
goede stemming. De markthal lijkt op die hallen zoals je ze van Spanje
kent. Binnen zijn er talloze vaste kraampjes waar ze worsten, kazen, wijnen
en andere delicatessen verkopen. Een lekker focaccio-broodje met geitenkaas,
pesto en basilicum gaat er wel in. Er is hier in deze buurt een grote
Griekse gemeenschap, vandaar de heerllijke feta's en olijven die hier
worden verkocht en het Griekse gebrabbel om je heen. Er is nog een speciale
vlees-, vis- en groente hal en buiten is er een fruitmarkt en zijn er
rijen marktkramen met kleding en van alles en nog wat. Er is net een bus
met Hollandse bejaarden uitgeladen, wel leuk vind ik dat die mensen op
hun oude dag nog zo'n reis ondernemen. Hollanders vind je hier elke dag
en overal waar je komt en ze kopen de meest walgelijke goedkope souvenirs.
Vrijdag
2 juni 2000
We brengen Glenn's collega Duncan naar het vliegveld en ruilen de auto
in voor een andere. De BMW (heet speeltje van Glenn en Duncan) is wel
erg duur. We hebben nu een paar dagen vakantie. Vanmiddag rijden we naar
Philip Island, een rit
van 2,5 uur langs de Philip Bay. Hoe meer we van de stad verwijderd zijn,
hoe rustiger het verkeer en hoe groter het gevoel van ruimte. Eindelijk
gaan we de penguins zien, in Tasmanië hadden we een poging gewaagd. Hier
op Philip Island leven een paar duizend Little Penguins. Met zonsondergang
(vandaag om 17.45 uur) komen ze uit de oceaan het strand op om de avond
en nacht op het eiland door te brengen. Het reservaat is beschermd, je
moet op de geprepareerde paden blijven. In het bezoekerscentrum lezen
we alles over deze kleine pinguins, die niet groter zijn dan 40 centimeter.
Dit soort pinguins vind je alleen hier in Australië. Op dit eiland alleen
al leven er enkele duizenden. We lopen naar het strand en zien precies
op het tijdstip van de zonsondergang eerst de witte voorkanten van de
penguin-lichaampjes die het strand op waggelen. Het is een komisch gezicht,
ze noemen dit ritueel dan ook de Penguin
Parade.
In groepjes van 10, 20 of 30 wachten ze op elkaar aan de rand van het
water, stellen zich netjes in rijen op en als de groep bij elkaar is,
komen de zwart-witte prachtexemplaren het strand op gewaggeld. We kunnen
ze van heel dichtbij aan ons voorbij zien trekken. We mogen ze niet aanraken
en ook niet fotograferen. Ze zoeken schutplaatsen in de zandduinen en
blijven de hele nacht actief. Eten doen ze overdag in de oceaan; pilchards
is hun lievelingskost. Ze eten hiervan ongeveer 24 stuks per dag en kunnen
de hele nacht zonder eten. We vinden het een wonder van de natuur en kunnen
onze ogen niet geloven dat deze mooie vogels bestaan. We blijven zo een
uur lang kijken en wandelen daarna over de paden door de duinen waar de
kleine penguins zich schuilhouden en waar je ze aan kunt raken.
Zaterdag
3 juni 2000
The Great Ocean Road is een bekende 300 km lange bezienswaardige route
langs de kust ten noorden van Melbourne. Deze begint in Geelong, een uur
rijden van Melbourne. We nemen de heenweg door het binnenland van het
Bellerine Schiereiland. Het landschap bestaat voornamelijk uit grasland
hier, fris groen. Je ziet veel vee, zwart-witte en bruine koeien, schapen
en veel paarden. Wanneer je zo door dit wijdse landschap rijdt, is autorijden
een genot. Onze
ruime auto is een automaat, je hoeft niet over schakelen na te denken
en je zet je cruisecontrol aan op de snelheid die je mag rijden. De CD
van Santana leg je in de CD-speler en rijden maar. Dit kan in Europa met
die verstopte wegen niet meer. We komen na 3 uur aan op de Ocean Road,
de weg is een beetje vergelijkbaar met de Highway 1 in Californië, die
ook langs de kust leidt en landschappelijk heel aantrekkelijk is. Het
is wel een klus geweest om deze weg uit de rotsen te hakken en stukken
van de dichte regenwouden te kappen. We beginnen de route bij het Port
Campbell National Park, daar waar de shipwreck coast ligt. Hier bestaat
de kust uit grillige hoge rotsformaties. De hoge kustwanden zijn zacht,
ze zijn van limestone, een kalkzandachtig gesteente. Je kunt goed zien
dat de oceaan steeds weer een stukje van de kust afschraapt. 2 Centimeter
per jaar. Ongeveer 80 schepen zijn hier ooit tegen de klippen gelopen
en vergaan, vandaar de naam shipwreck coast. De wind staat hier pal op
de kust en menige storm en de vele opzwiepende golven hebben hier de rotsen
uitgehold en afgesleten. Grillige
rotsformaties zoals de bekende twaalf apostelen zijn hierdoor ontstaan.De
12 rotspilaren staan als gedaantes met hun voeten in het water. Het is
heel erg gaan regenen, we zien de apostelen slechts in de mist. Maar het
is wel de realiteit. Onze volgende stop is de Loch Ard Gorge. Dit is een
soort Arc-de-Triomphe boog die door de erosie van de oceaan is ontstaan
en die is verbonden met een grote grot, waar je via het strandje bij laag
en rustig water naar toe kunt lopen. In deze grot hielden de enige twee
overlevenden van een Engels schip met immigranten dat in 1878 hier tegen
de klippen liep en zonk, zich schuil.
Het volgende deel van de route voert een stukje landinwaarts omhoog door
de dichte regenwouden van het Otway National Park. We rijden in de mist
en op het hoogste punt aangekomen in Lavers Hill zijn we blij dat er benzine
te koop is en dat we even uit de auto te kunnen
om thee te drinken. Vanuit Lavers Hill is het nog een klein uur rijden
naar Apollo Bay waar we een motelkamer huren. We zijn hier weer aan de
kust, het is al donker om 5 uur, maar niet te donker voor een culinaire
maaltijd en een lekker glas van onze lievelingswijn. We wachten met slapen
tot het 12 uur 's nachts is, want het is Paula's verjaardag vandaag. De
meeste van onze verjaardagen hebben we de afgelopen 10 jaar op bijzondere
plekken gevierd. We doen het erom!
Zondag
4 juni 2000
We kopen verse croissants en koffie en ontbijten op een bankje in de baai
van Apollo Bay.
De zon schijnt nu, en het water van de oceaan is erg rustig. Wat is het
toch heerlijk om zo te kunnen ontbijten. We rijden de route verder af
en maken ondeweg 2 korte boswandelingen naar verscholen watervallen, waar
het water in de met varens omzoomde waterbekkens naar beneden stort. Even
verderop maken we wederom een stop om te genieten van het uitzicht over
de door de zon beschenen oceaan. Plotseling valt ons oog op enkele zeehonden
die door het wateroppervlak komen om frisse lucht in te ademen. We rijden
verder door enkele toeristische plaatsjes zoals Lorne en Anglesea en nemen
bij het kleine plaatsje Airey een zandige weg naar de vuurtoren, waar
een mooie wandelweg langs en over de rotsklippen is geprepareerd. Het
lijkt hier een beetje op Normandië, die groene heuvels die aan de kant
van de oceaan opeens steil eindigen. Torquay is het laatste plaatsje aan
de Great Ocean Road, het is hier heel druk met surfers, niet zo ver meer
van de grote stad Melbourne. We nemen afscheid van de oceaan en rijden
een uurtje door naar het vliegveld waar we ieder een eigen vliegtuig terug
naar Sydney nemen. Ik vlieg met Ansett en Glenn met Quantas. Glenn's vlucht
is door de werkgever betaald en mijn vlucht is lekker goedkoop. Thuis
in Sydney is er veel email en rinkelt de telefoon een paar keer vanwege
Paula's verjaardag.
|